|
||||||||||||||||||||||
|
Al heel vroeg in de kerkgeschiedenis heeft men bepaalde periodes in het kerkelijk leven willen uitdrukken door middel van kleuren. De mensen konden toen nog niet allemaal lezen en kalenders hadden ze helemaal niet, en zo werden ze, in de kerkdiensten, door de kleuren er aan herinnerd, waar men aan moest denken. De kleuren hebben een diepe symbolische betekenis en misschien vindt u het ook fijn er eens iets meer over te weten. Wanneer u nog regelmatig in de kerk kunt komen, hebt u misschien wel opgemerkt, dat in de lijdenstijd, de kleur paars aan de beurt is. Paars is nl. de kleur van inkeer en berouw, van boetedoening en vasten. In de lijdenstijd wil het paars ons betrekken bij het lijden en sterven van onze Heer: ‘Leer mij o Heer uw lijden recht betrachten’. Eigenlijk begint het kerkelijk jaar in de adventstijd, d.w.z. vier weken voor kerst. Ook dan is de kleur paars, de kleur van inkeer. In de adventstijd wil het iets uitdrukken van het lied: ‘Hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt gij zijn ontmoet?’ Op kerstdag komt dan het stralende wit de blijheid van het feest van Christus’ geboorte uitdrukken. Rein en puur, licht en feestelijk mag het wit de kleur blijven tot en met Drie koningen, de eerste zondag in januari. Dan wordt het witte kleed en de witte stola verwisseld voor een groen kleed en een groene stola. Het groen wil ons bepalen bij het leven van Jezus, hoe hij rond ging en predikte en hoe de schare naar Hem luisterde, zittend in het groene gras: ‘O, vrede van Tiberias, o heuvels in het rond, waar Jezus in het zachte gras, de mensen liefhad en genas en in hun midden stond’. Deze groen kleur blijft tot de lijdenstijd. Zes weken lang is nu de paarse kleur, de kleur van inkeer en berouw aan de beurt. Gelukkig mag deze ‘paarse tijd’ ook nu weer uitlopen in het feestelijk wit op de 1e Paasdag. ‘Wees gegroet gij eersteling der dagen, morgen der verrijzenis’, roept het wit ons als het ware toe. Deze witte kleur blijft ons de hele Paastijd, d.w.z. tot aan Pinksteren bepalen bij het feest van de ‘Opstanding’. En dan op Pinksteren, mag het rood te voorschijn komen. Het rood als symbool van het vuur van de Geest. Het vuur van de Geest, dat ons allen aansteekt en in vuur en vlam zet en dat ons door de wereld wil doen gaan als een ‘lopend Vuur(tje)’. Het rood is er maar één zondag en dan komt nog één maal het wit. Want de Zondag na p\Pinksteren is van oudsher de zondag van de Drie-eenheid. Die dag wil het wit al onze aandacht richten op de Eer van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. En vanuit dat diepe bewustzijn beginnen we aan de laatste lange groene periode. Nu duidt het groen op groei en bloei, op vruchtbaarheid en overvloed, want na Pinksteren moet de gemeente gaan groeien en bloeien en vrucht dragen. Maar tegelijk wil de groene kleur ons vol hoop en verwachting laten uitzien naar: ‘de grote zomer, waar in zich ’t hart verblijdt! God zal op aarde komen met groene eeuwigheid. (gez. 288) En zo is de cyclus van het kerkelijk jaar dan weer rond en breekt de adventstijd weer aan. U merkt wel dat de verschillende kleuren van het kerkelijk jaar een héél diepe betekenis hebben en dat zij ons willen helpen om hetgeen we geloven ook intenser te beleven. Advent : Paars Kersttijd (kerstnachtdienst t/m de eerste zondag na Epifanie (= het feest van de verschijning van de Heer, dat valt op 6 januari) : Wit Zondagen tussen kersttijd en veertigdagentijd : Groen Veertigdagentijd (zes zondagen voorafgaande aan Pasen) : Paars Witte Donderdag : Wit Goede Vrijdag : Paars Paastijd (Paaswake op Stille Zaterdag t/m zondag na Hemelvaart) : Wit Pinksteren : Rood Zondag van de Drie-eenheid (zondag na Pinksteren) : Wit Zomertijd (van de tweede zondag na Pinksteren tot de laatste zondag van het kerkelijk jaar, d.w.z. de laatste zondag voor het begin van Advent) : Groen
|
|||||||||||||||||||||